Guus en Karel, 2 oude knarren

engelen 9Als wijkverpleegkundige kom ik dagelijks in aanraking met terminale palliatieve zorg. Zorg die ook gericht is op de sociale aspecten van het sterven. Zoals bij  Mevr. B. en haar zonen.

Ik leerde dit gezin in 1980 kennen. Mevr.B. van 85 en haar zonen  Guus en Karel van 62 en 60 jaar oud. Samen woonden zij in een oude boerderij. Ver van de bewoonde wereld. Mevr. B. was een vitale, doortastende vrome vrouw. Haar leven bestond uit hard werken, vroeg naar bed, geen tv, krant of radio. Dit patroon verwachtte zij ook van haar zonen.

Mevr.B.was gevallen en had haar heup gebroken. Na ziekenhuisopname wilde zij zo snel mogelijk naar huis. Ze herstelde redelijk en pakte haar oude leventje weer op. Ik kwam voor  begeleiding en aanpassingen in het huis. Ondersteuning bij het douchen wees zij resoluut af.

De eerste keer dat ik de oude deur van de stal opendeed kwam de geur van mijn jeugd terug. De koeien stonden vastgebonden op stal. Stro op de grond. Hooi in de voederbak en de staarten omhoog vastgebonden aan een draad. Het was warm..Er hing een typische geur van een aantal koeien op  de stal op een  winterse dag.  Ik keek mijn ogen uit. Dit was iets wat ik als klein kind nog gezien had bij mijn ouders. Ik dacht dat het niet meer bestond.

Ik liep door naar de keuken. De koffie stond te pruttelen op het fornuis. Aan tafel Mevr. B. Guus en Karel. Het was negen uur. “Koffie?” vroeg zij.  Stond op en scharrelde met de vierpoot naar het fornuis. De koffie was zeer sterk en had al uren op het fornuis gestaan. Mevr. B.sneed peperkoek af. Eentje met roomboter voor Karel en zonder voor Guus. Ze gooide de peperkoek naar haar zonen  terwijl ze zij: “ Vangen en op eten” Soms knipoogde Karel naar me als hij de peperkoek greep. Guus ving nooit, liet rustig de peperkoek op zijn bord komen en begon te eten, terwijl hij “ja ma.”mompelde. Om kwart over negen was het weer “werktijd”  De zonen stonden op en vertrokken na instructies gekregen te hebben. Elke dag als ik er om 9 uur was herhaalde dit ritueel zich. Er werd niet van afgeweken.

Op een dag kreeg  Karel benauwdheids verschijnselen. In het ziekenhuis werd longkanker vastgesteld in een ver gevorderd stadium. Karel wilde geen behandeling. Bleef doorwerken en Mevr. B.zei; “Zie je wel, er is niks met Karel. Hij hoest wel een beetje maar die dokters vertellen maar wat” Dus alles bleef bij het oude.

Na mijn vakantie ging ik weer op huisbezoek. Mevr. B. zei “Gerry ga naar de zolder en zeg tegen Karel dat hij naar beneden komt. Er is werk te doen. Hij  is al een week zijn  bed  niet uitgekomen.” Ik was nog nooit boven geweest en ging polshoogte nemen. De zolder was  èèn grote ruimte waar ik rechtstreeks tegen de pannen aankeek. Midden op de zolder stond een bed. Er hingen lange, witte, onderbroeken. Verder niets. Ik liep naar Karel toe en zag een zeer zieke terminale man. Hij was nauwelijks aanspreekbaar en toch herkende hij me. “Niet naar het ziekenhuis Ik wil  thuis dood gaan”. We praatten over de ontstane situatie. Besloten werd dat wij samen met de huisarts de nodige zorg zouden opstarten. Na drie intensieve weken is Karel gestorven. Zijn moeder kon het niet geloven. Was boos en verdrietig. Zij sloot zich af en nog geen maand later werd zij dood op bed gevonden. Guus bleef alleen achter. Ook hij kon de situatie en het boerenbedrijf niet aan. Twee jaar later overleed Guus.

Vier jaar kwam ik elke maand in dit gezin. Het  sociale aspect daarin was van groot belang. Alle mogelijkheden werden besproken met de moeder en haar zonen. Alle zorg wezen  zij af. Toch werden mijn huisbezoeken op prijs gesteld. De laatste weken voor Karel’s overlijden  werd het sociale isolement extra benadrukt. Dit gezin had geen contacten buiten de deur. De hulpverleners waren de enige die over de vloer kwamen. Familie B. wist niet beter. Mevr. B.had heel haar leven alles geregeld en haar zonen volgden trouw. Het was een levensstijl die zij gekozen hadden. Hoe moeilijk dat voor een buitenstaander ook te begrijpen was.

Gerry Wijdemans.